Dit verhaal is onderdeel van een artikelserie en is eerder gepubliceerd in Het Urkerland van 20 december 2021.

Sinds jaar en dag zijn Urker vrouwen als ‘walschippers’ nauw betrokken bij de visserij. Tenminste achttien vrouwen werden – soms tegen wil en dank – eigenaar van een botter of kotter. Wie waren deze vrouwen die met een bewonderingswaardig veerkracht vissersbedrijven in leven hielden en soms zelfs uitbouwden? Lucia de Vries ging op onderzoek uit.

Toen ik in de jaren 60 op de Frits Bode-kleuterschool zat stak ik in de pauze eens de straat over en kwam in de Visserijschool terecht. Terwijl ik nieuwsgierig door de gang struinde zag ik een tafereel dat diepe indruk op me maakte. Een groepje jongens was aan het netten boeten. De zon viel in stoffige stralen het klaslokaal binnen. Een sympathieke leraar gaf af en toe een aanwijzing. Gebiologeerd keek ik toe, totdat de leraar me zag en me terugbracht naar de kleuterschool. Toen ik thuiskwam vertelde ik trots dat ik wist wat ik wilde worden: visserman.

Er vielen die middag heel wat tranen. Visserman, dat was iets voor jongens, en ik was immers een meisje? En kotters hadden immers geen aparte slaapkamertjes?

Er vielen die middag heel wat tranen. Visserman, dat was iets voor jongens, en ik was immers een meisje? En kotters hadden immers geen aparte slaapkamertjes?

Uiteindelijk kwam het toch nog goed. Als tiener ging ik af en toe een weekje mee op zee; het waren onvergetelijke vakanties. Het inspireerde me om visserijjournalist te worden. Weken op zee zat er niet meer in, maar wel veel korte proefvaarten en talloze gesprekken over de visserij en de vishandel.

Toch bleef ik rondlopen met de vragen waarom Urker vrouwen geen vissers worden en of ze het verleden ooit wél gevist hebben. Misschien niet ver en lang van huis maar hoe zat het met de lokale visserij? Ik weet inmiddels dat vrouwen in de zoute tijd meehielpen de haringzegen vanaf de kust binnen te halen. Ook liepen ze met kleine emmertjes aan een stok langs het water om alikruiken of mossels te vangen. Visten ze in het verre verleden misschien met roeibootjes rondom het eiland? Het zou me niets verbazen…

Ik weet inmiddels dat vrouwen in de zoute tijd meehielpen de haringzegen vanaf de kust binnen te halen.

De haringzegen wordt binnengehaald (vermoedelijk rond 1920). Let op de vrouw uiterst rechts op de foto (Collectie Vrienden van Urk)

Een belangrijke aankoop

Tijdens mijn onderzoek stuitte ik eerder dit jaar op Hiltje de Vries (1845-1915), eigenaar van de UK 80. Zij was de weduwe van visserman Abraham Ras. Abraham was schipper op de UK 11, de ‘Vrouwe Iltje’, die in 1883 bij een poging om bij hevige storm via het Goereese Gat binnen te lopen omsloeg. Abraham verdronk daarbij op 37-jarige leeftijd. Hiltje bleek achter met vier kinderen (twee andere kinderen waren vroeg overleden). Haar oudste was tien, de jongste amper een half jaar oud. 

Hiltje sloeg zich er dapper doorheen, ook toen haar jongste in de zomer van dat jaar kwam te overlijden. Misschien had het te maken met het feit dat ze als jonge vrouw als dienstmeisje in Enkhuizen had gewerkt. Of met het feit dat ze ‘koopvrouw’ was. Kocht ze stoffen in die aan winkeltjes of op straat verhandelde, zoals haar verre familieleden later zouden doen? Ze was in elk geval een geboren ondernemer want in 1899 kocht ze een botter met inboedel. Ze betaalde een flinke som geld voor de UK 80: fl. 3200, omgerekend € 47.300 in de huidige tijd. Waarschijnlijk wilde ze met de aankoop de toekomst van haar zoons Jacob en Age veilig stellen, die beiden visserman waren. 

Wat Hiltje’s motivatie ook was, met de aankoop werd ze wellicht de eerste Urker vrouw met een botter op haar naam. Maar zeker niet de laatste.

Vermiste vissermannen

Want hoe zat het met de talloze weduwvrouwen op Urk? Wat gebeurde er met de vissersschepen als de man overleed, vaak door verdrinking? Omdat het de gewoonte was om in gemeenschap van goederen te trouwen was zij doorgaans automatisch eigenaar van het schip. Maar allereerst moest de familie wachten tot het lichaam van de man werd gevonden, zodat de dood officieel kon worden vastgesteld. Gebeurde dat niet dan volgde er een lange wachttijd waarin de overledene als ‘vermist’ werd beschouwd. Pas na vijf jaar kon de weduwe de rechtbank verzoeken om haar man ‘dood te verklaren’, de erfenis op te eisen en opnieuw te trouwen.

Geen wonder dat de familie soms ‘vindersloon’ uitloofde aan degene die de lichamen vonden. Grietje Schaap deed dat in 1863 nadat haar man Willem Weerstand samen zoons Jan en Riekelt op zee omkwam. De burgemeester liet het volgende bericht in de krant plaatsen: “De familiebetrekkingen … loven eene beloning uit van f 25 voor het vinden van beide lijken en bij het vinden van een van beide f 15.” Het bericht gaf als ‘kenteekenen’ ‘de gewone Urker kleeding; het hemd der oudste is gemerkt W.P.W.; de jongste op den regterarm geprikt J.W.W., en de middelste op de beide armen geprikt R.O.B., met eenige figuren.”

Doodverklaard

Ook het lichaam van de man van Heiltje de Vries (1866-1950), een verre achternicht van bottereigenaar Hiltje, werd niet teruggevonden. Haar man Dubbele Romkes was schipper van de UK 169, die in 1900 bij de Haaksgronden met man en muis verging. Hiltje bleef achter met vijf kinderen. Pas in 1905 werd Dubbele door de rechtbank van Alkmaar dood verklaard en kreeg zij ‘verlof tot het aangaan van een nieuw huwelijk’. Met haar nieuwe man, Hein Ras, kreeg ze nóg drie kinderen, waaronder Abraham Ras, verkoper van manufacturen. 

In het geval van Hiltje en Heiltje was er geen botter om te erven. Dat was ook niet het geval bij Marretje Snoek (1858-1936). Haar man Tromp Korf was eigenaar van de UK 50, de ‘Vrouw Marretje’. Tromp verdronk in 1898 toen hij twee bemanningsleden probeerde te redden. Zijn lichaam werd niet teruggevonden. Marretje had zeven kinderen; de jongste werd drie maanden na de dood van Tromp geboren.

Ook Marretje moet een ondernemende vrouw zijn geweest want zij kocht in 1907 een schip in Scheveningen, de nieuwe UK 50. Net als Hiltje had zij twee zoons, Dirk en Jacob, die visserman waren. Marretje deed tien jaar lang de bedrijfsvoering, tot het schip in 1917 werd verkocht.

Tien monden voeden

In 1911 stond ook Neeltje Molenaar (1871-1954) er alleen voor. Haar man, Johannes van Slooten, eigenaar van de UK 94, kwam op 41-jarige leeftijd te overlijden. Neeltje en Johannes hadden maar liefst twaalf kinderen, waarvan er twee vroeg overleden. Bij het overlijden was de oudste zeventien, de jongste amper een maand oud. Neeltje had als jong meisje dienstmeisje bij een Joods gezin in Hoorn gewerkt. Nu moest ze als 40-jarige weduwe tien monden zien te voeden. Ze wist de UK 94 in de vaart te houden; van haar zes zoons zouden er vier visserman worden. Zoon Freek, Frekien van Niel, werd in 1936 eigenaar van de UK 94. Na de oorlog kwam er een nieuwe IJsselmeerkottter. Anno 2021 vissen twee kleinzoons met moderne kotters op de Noordzee.

Vrouw met botter

Ook Marijtje van Urk (1881-1971), getrouwd met de vooruitstrevende visserman Wouter de Vries, werd een ‘vrouw met een botter’. Wouter had als eerste in 1914 voor 2500 gulden, een vermogen in die tijd, een motor in de UK 64 laten zetten. ‘Ut is de warreld’, zeiden andere vissers, maar al snel tufte op de hele vloot een Kromhout. In 1930 liet hij als eerste in IJmuiden een bijna 20-meter lange Noordzeekotter bouwen. Hij vernoemde het schip naar zijn vrouw Marijtje. “Die verdagt nog op de slikbult, wat ik je brom”, kreeg hij te horen, maar ook nu bleek hij een ware trendsetter.

Toen Wouter in 1917 om het leven kwam nam Marijtje gedwongen het roer over. Haar oudste, Willem, was negen, de jongste, Hessel, amper drie. Het zal een moeilijke tijd geweest zijn voor de 36-jarige weduwe…

Toen Wouter in 1917 om het leven kwam nam Marijtje gedwongen het roer over. Haar oudste, Willem, was negen, de jongste, Hessel, amper drie. Het zal een moeilijke tijd geweest zijn voor de 36-jarige weduwe, die in 1918 met weduwnaar Klaas Ras trouwde. Klaas had zelf twee kinderen en werd een geliefde stiefvader voor Willem en Hessel.

Het lukte Marijtje om samen met haar nieuwe echtgenoot en zoons het vissersbedrijf overeind te houden. Klaas Ras bleef tot 1938 met de UK 64 vissen, waarna het schip werd verkocht. De tweede kotter die zoons Willem en Hessel in 1933 hadden aangekocht werd toen vernummerd tot UK 64. Marijtjes achterkleinzoons varen anno 2021 met alweer een nieuwe UK 64, de Mattanja. De UK 64 is samen met de UK 34 en de UK 168 de drie enige scheepsnummers die sinds 1912 door dezelfde families in de vaart worden gehouden.

Visserijvoorman

Een andere ‘bessies met botters’ is Aafje de Boer (1903-1982), getrouwd met Klaas Visser van de UK 172. Toen haar man in 1910 kwam te overlijden bleef Aafje achter met acht kinderen. De oudste meisjes gingen als dienstmeisje aan de slag. Voor Aaf zat er weinig anders op dan de UK 172 in de vaart te houden om haar zoons aan werk te helpen.

De UK 172 werd bemand door zoons Andries en Teunis. Andries zou later naar IJmuiden verhuizen en daar met twee kotters vissen. Zoon Teunis kocht de UK 115 aan, maar ging later aan de wal aan de slag. Hij was raadslid en ontpopte zich tot visserijvoorman. Als voorzitter van verschillende visserijorganisaties reisde regelmatig naar Den Haag om de belangen van vissers te bepleiten.

Alleen verder

Dirkje de Boer (1916-2015) verliet als jong meisje het eiland om als kindermeisje in de Zaan en later als dienstmeisje in Den Haag aan de slag te gaan. Vlak voor de oorlog keerde ze terug naar Urk om met Kees Romkes te trouwen. Kees hielp op dat moment bij de aanleg van de dijk naar Lemmer maar aasde op een kans om samen met broer Louw weer te gaan vissen. Die kans kreeg hij in 1940, toen hij in 1941 in Spakenburg hoorde dat het schip van de weduwe H. de Graaf te koop was. De botter werd op Urk ingeschreven als de UK 35. Kees en Dirkje kregen acht kinderen. In 1953 liet Kees een nieuwe UK 35 bouwen, de ‘Wiepke’.

“Als ze ’s zondags uit de kerk kwam had ze altijd een moment voor zichzelf nodig, om te huilen. De dood van haar man tekende haar leven, maar veranderde niet wie ze was.”

Toen Kees in 1960 in de haven verongelukte was de oudste twintig en de jongste twee. Hoe moest ze verder? In haar memoriam staat het zo mooi: “Als ze ’s zondags uit de kerk kwam had ze altijd een moment voor zichzelf nodig, om te huilen. De dood van haar man tekende haar leven, maar veranderde niet wie ze was.” Dirkje wist met ondersteuning van verzekeringsagent Toon Meun het vissersbedrijf verder uit te breiden. De naam van het bedrijf werd Firma Romkes en De Boer.

In 1969 liet de familie een nieuwe UK 35 bouwen, vernoemd naar beide ouders: de ‘Cornelis Dirkje’. In 1981 werd een tweede schip aangekocht, de UK 28, die in 1985 door omstandigheden werd verkocht. De UK 35 werd in 1986 gesaneerd.

Dirkje bleef de blijmoedige vrouw die ze was. Volgens haar in memoriam zong ze de hele dag en keek ze haar hele leven om naar zieken, ouderen en hulpbehoevenden: “Het was soms alsof ze op afstand voelde dat iemand haar hulp nodig had. Ze nam haar oude vader en moeder in huis toen die oud geworden waren en ze zorgde jarenlang voor een zieke buurvrouw.” Ze overleed op 98-jarige leeftijd in 2015 als de laatste vrouw in Urker dracht. Het idee om opnieuw te trouwen had ze steeds resoluut van de hand gewezen. Ze wilde Kees ‘ooit terugzien zoals ze uit elkaar gegaan waren’.

Ook in de Jaren 90 waren er nog vrouwelijke eigenaren van kotters. Marretje Schenk (1946-nu), weduwe van Klaas Kramer is zo’n voorbeeld. Klaas overleed in 1990, waarna Marretje de UK 190 in de vaart hield door zetschippers in te huren.

Oerkracht

En zo waren er meer. Veel vissersvrouwen werden geen formele eigenaren maar waren wel de baas. Een bekend voorbeeld was Fetje Koornstra (1918-2009), de vrouw van Jan van den Berg. Tijdens een stormnacht in oktober 1954 kreeg ze te horen dat elf vissers waren omgekomen, waaronder haar man Jan. Zes dagen later werd haar jongste zoon Jan geboren. Met een soort oerkracht bleef Fetje staande als spil van het gezin en van het vissersbedrijf.

Vrouwen met botters en kotters. We hebben er inmiddels achttien in de registers kunnen vinden. Stuk voor stuk ondernemende vrouwen die – soms tegen wil en dank – vissersbedrijven bestuurden en in sommige gevallen verder uitbouwden. Sommigen deden het uit pure noodzaak, bij anderen zat het ondernemen in het bloed.

Van Hiltje de Vries in 1899 tot Anja Keuter in 2021, al eeuwenlang wordt de Urker vloot gestut door vrouwen. Als kind waren ze al bij de verwerking van de vis betrokken. Echtparen trouwden in de gemeenschap van goederen; beiden waren aansprakelijk. De meeste vissermannen gaven de besomming rechtstreeks aan hun vrouw. Zij regelde de betalingen en zorgde ervoor dat haar man wat rook- en scheergeld achter de hand had. Het was haar verantwoordelijk om wat geld in de linnenkast te bewaren, voor onverwachte reparaties. Daar lag ook het ‘doodsgoed’ klaar; de visserij was en is een gevaarlijk beroep.

(on)zichtbare vissersvrouwen

Naarmate de visserij zich naar de Noordzee verlegde kregen vrouwen er meer taken bij. De mannen waren nu minder thuis; de vrouwen fungeerden als ‘walschippers’. Met de invoering van satellietverbindingen is een deel van dat takenpakket weggevallen. De administratie van vissersbedrijven werd steeds complexer en een toenemend aantal vrouwen heeft een betaalde baan. Toch zorgt ook nu nog naar schatting 30-40 procent van de vissersvrouwen voor de boekhouding – een klus van zo’n tien uur per week. Een kwart van de vissersvrouwen doet zelf de (digitale) boekingen, de rest besteedt dit uit.

Ook de bedrijfsvorm is aan het veranderen. Vroeger werd gekozen voor een VOF en gemeenschap van goederen. Nu is de BV, met aandeelhouders en zonder persoonlijke aansprakelijkheid, ook gebruikelijk. Bedrijven bieden steeds vaker vrouwen een bedrijfsvergoeding voor hun bijdrage. Hoeveel vrouwen aandeelhouder zijn is niet bekend.

Gezien de nauwe betrokkenheid van vrouwen bij de visserij is het vreemd dat slechts een Urker vrouw hierin een bestuursfunctie heeft. Misschien is het tijd voor vissersvrouwen, in navolging van boerinnen, om zichtbaarder te worden in de samenleving?

En die vissende vrouwen? Die komen we nog wel eens tegen…

Kent u nog andere vrouwen met botters en kotters of wilt u uw ervaringen delen? Mail ons dan via vrouwenmetbotters@gmail.com

Met dank aan Meindert de Boer voor het uitpluizen van de visserijregisters, Werkgroep Genealogie van de Vrienden van Urk voor de stambomen en Gerard de Ridder voor logistieke hulp.

Vroege vrouwen met botters

Toen het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel in 1907 een onderzoek naar de Zuiderzeevisserij uitvoerde stelde het een lijst van 339 Urker botters samen. Daarvan waren acht het eigendom van weduwvrouwen. Zij waren:

Weduwe J. Molenaar (UK 26)

Weduwe W. de Vries (UK 46 en 47)

Weduwe T. Korf (UK 50)

Weduwe A. Snoek (UK 104)

Weduwe J. Kroon (UK 117)

Weduwe P. Kramer (UK 185)

Weduwe R. Bos (UK 237)

Meer weten?

Lees ook de andere blogs:

De regeringsbotter van Dirkje

Moeder was de eerste Dolle Mina van Urk

Vissersvrouw Anja Keuter: “Ik doe net zo hard mee”