De akker van mijn DNA. Zo zie ik de begraafplaats bij het Kerkje aan de Zee nu ik weet dat mijn voorouders hier al eeuwenlang te ruste worden gelegd. Eerst in graven in de kerk, daarna op het kerkhof. Een plek met een persoonlijke voorgeschiedenis dus.
Eerder dit jaar mocht ik als organisator en participant meedoen aan de Training Historische graven onderhouden en restaureren. Ik had toen tijdens het geschiedenisprogramma op Omroep Flevoland al iets verteld over het bijzondere graf dat ik heb geadopteerd en een oproep gedaan aan de nazaten van ‘vergeten graven’. Dat mocht ik bij de EO op de Avond van 5 dunnetjes overdoen.
Want waarom is dit voor mij, voor Urk en zelfs voor Provincie Flevoland zo’n belangrijk plek, sociaal, historisch-cultureel en genealogisch gezien? Allereerst omdat het de enige echt oude begraafplek van de provincie is. De eerste sporen van begraven op het eiland voeren naar de zeebodem aan de westzijde van het kerkhof. In 1559 trof de Kamper burgemeester Arent toe Boecop, getrouwd met ‘joffer’ Lubbe van Urck, daar ‘stenen dooitvaten’ aan. Hij schreef:
Wairomme dye van Urrick stenen dooitvaten hadden, wairin sye dye mynssche begrouen , ende dair sware serricken boue op lygghen , dye nw hyer in Campen ende ouerall voir waterbacken worden ghebruicket… Soe als ick dair was, hebbe ick dair inder eerde op kerrick hoff noch 5 sullicke stenen dooitvaten inder eerde myt een ysseren ketten an melcanderen vaste ghemaket syen staen.1
Dat was voordat het dorp ‘Espelo’ tijdens stormvloeden langzaam maar zeker onder water verdween. Op de oostelijk gelegen keileembult werd een nieuwe kerk gebouwd. Een steviger ondergrond dit keer, maar rond 1782 stond de kerk op instorten. De Stad Amsterdam, de toenmalige eigenaar van het eiland Urk, stemde in met de bouw van een nieuw godshuis. Dat moest volgens Jacob Hooft, commissaris van de pilotage, op dezelfde plek gebeuren, want de Urkers waren zeer bezorgd dat ‘hunne grafsteeden in welke hun ouders of nabestaanden liggen door eene verplaatsing buiten de kerk geraakten’.2
Dat verklaart waarom er regels werden opgesteld voor de omgang met menselijke resten, die de arbeiders ongetwijfeld zouden tegenkomen:
[O]veral daar hy by het afbreeken van de Oude Kerk en Toren, of het graven van de Fondamentssleuven eenige Doodskisten of Lyken ontmoet, zal hy dezelve moeten opruimen en verplaatsen, in een of meerdere kuilen.3
De eeuwenoude kerkklok van Espelo werd gerestaureerd en opnieuw opgehangen. Van de stenen sarcofagen ontbrak echter elk spoor.
Dat de kerk opnieuw een functie als begraafplaats had blijkt uit de gedenksteen boven de ingang. Hier is naast een viertal wapens ook een graflamp afgebeeld (links).

Hoewel het begraven in de kerk vanaf 1829 verboden was, ging ook tijdens de bouw het bijzetten onder de vloer gewoon door. Maar vanaf 1787 werd het hof achter de kerk, het kerkhof, toch echt in gebruik genomen.

In de kerk bevinden zich volgens het gravenregister van 1755 in totaal 42 graven. Daar, onder de kerkvloer, zijn mijn vroege DNA-sporen te vinden. Al in 1630 worden hier voorouders geboren, en – niet gedocumenteerd maar wel waarschijnlijk– later ook begraven. Volgens het register van 1755 ligt in kerkgraf 26 voormoeder Marretien Gerritsd (rond 1690 – 1766); in graf 34 rust voorvader Willem Jansz (rond 1690 – 1756). Graf 25 is dat van kerkmeester en burgemeester Jan Snoek, beter bekend als Jan de Oude (Kuinre, rond 1638 – Urk, 1761). En voorvader Dove Klaas rust sinds 1761 in graf 5. In 1801 werd Lijsebeth Koot daarin bijgezet. En zo gaat het maar door. In vrijwel alle 42 graven zijn voorouders te vinden, een duizelingwekkend gegeven!

Graf 8 bijvoorbeeld is dat van Jansz Snoek, waarin op 29 augustus 1772 mijn voorouder Rijckend Jochemsz wordt bijgezet. Hij was geboren in Vollenhove en hier getrouwd met Bregje Jans Snoek, dochter van de eigenaar van het graf. Rijckend was de derde en de laatste die in de grafkelder een plek kreeg, ondanks het feit dat hij na het overlijden van Bregje met de Friese Femmetje Jans was getrouwd. Sterker nog, ook Femmetje wordt na haar overlijden ‘op het nieuwe kerkhof buiten de kerk, graf 008’ begraven. De nummering van de graven werd in eerste instantie op het kerkhof gekopieerd.
Rijckend en Femmetje’s nazaten kwamen dus op het kerkhof te liggen. De eerste graven zullen met houten kruizen zijn gemarkeerd. Geen enkele heeft de tand des tijds doorstaan.

De oudste steen is die van Jacob Asma, visser, koopman, winkelier en gemeenteraadslid, overleden op 17 augustus 1856. Het is een eenvoudige, smalle, grijze hardsteen, onlangs opnieuw geverfd door vrijwilliger Wouter Kramer. Het is toevallig een ver familielid, deze Asma. Zijn dochter Jannetje Asma (1847 – 1925) is mijn over-, over-, overgrootmoeder.

Jannetje’s eerste man Klaas Romkes bleef samen met hun 12-jarige zoon Albert op zee.
Op 6.5.1883 is bij Duivendijke gevonden het stoffelijk overschot ‘van een persoon van het mannelijk geslacht, naar gissing 12 à 15 jaren, vermoedelijk visscher …. hetzelve was gekleed in een rood baaie hemd gemerkt A.K.R.; een gordeltje met twee blauwe kussens opzijde; een diemette borstrok; een wit katoenen voering en witte knoopen; baaie borstrok; een zwart bombazijne jekker en een beursje met vier en twintig en een halve cent.4
De lichamen van vader en zoon zijn niet teruggevonden. Hun namen staan vermeld op het Vissersmonument.
Jannetje Asma kreeg op 12 april 1888 toestemming om een nieuw huwelijk aan te gaan, met Albert van Urk, op grond van rechtsvermoeden van overlijden van haar eerste man. Zij werkte toen waarschijnlijk al als doden-aanzegster, een beroep dat wel meer weduwvrouwen ambieerden.

Welke familielijn ik ook volg, ze verlaten niet snel dit kerkhof. Een uitzondering is de vaderlijn van opoe Pietertje de Groot. Haar Schokker opa Theunis, visserman, trouwde met de Urkse Marretje de Boer en verdronk na de geboorte van zoon Pieter in de Noordzee. Ook zijn naam is op het Vissersmonument te vinden.
Theunis’ voorouders zijn op Schokland te vinden. Tijdens de ontruiming van het eiland in 1859 bleven de graven achter. In 1940 werden 147 skeletresten door fysisch antropoloog dr. Arie de Froe en zijn studenten opgegraven. De Froe nam ze mee naar Amsterdam voor onderzoek naar kenmerken van de ‘oer-Nederlander’. Daar weten we op Urk ook alles van. De skeletten, waaronder misschien die van mijn Schokker voorouders, werden in 2002 herbegraven in een knekelput in de kerkruïne van Ens.




Ook de lijn van opa eindigt op Schokland: bij Geertje Jan Ham (1833 – 1911), getrouwd met de Genemuider timmerman Albert Lucas Brouwer (1835 – 1872). Zij zijn de stamouders van deze tak van de Urker Brouwers.

Een bijzonder graf is dat van hun zoon Jan Brouwer, winkelier, vishandelaar en koopman. Hij liet een lofdicht in het graf beitelen voor zijn vrouw Cornelia Ras, ‘een pronkjuweel der vrouwen’. Was het uit bewondering, schuldgevoel of misschien een combinatie? ‘Jan Spek’ en Cornelia kregen niet minder dan dertien kinderen. In het jaar dat zij zoon Jan van anderhalf en een doodgeboren kind naar het kerkhof brachten, verwekte Jan een meisje bij het dienstmeisje dat in het gezin werkte. Het verhaal gaat dat hij zich diep schaamde, niemand meer onder ogen durfde te komen, maar dat Cornelia hem terug liet komen en hem vergaf.
Bewogen levens, en wat zou er met die mysterieuze laatste zin op het graf worden bedoeld: “Vader heeft zijn wensch gekregen”….?

Uiteraard zijn niet al mijn voorouders Urkers. Dankzij gedegen onderzoek door Henk Brouwer van de Werkgroep Genealogie weet ik dat ik ook Fries, Utrechts, Overijssels en zelfs Duits bloed heb, hoewel sterk verdund. Severinus Cantor (1681-1710), een van Urks eerste predikanten na de Reformatie, is een voorbeeld van een ver familielid, begraven vanuit het Oudemannenhuis in Amsterdam.

Graag zit ik op het enige bankje dat het kerkhof rijk is, rechts naast de ingang. Ik verwonder me daar over deze overdaad aan Urker DNA. Hoe verhoud ik mij daartoe, als ik me soms een buitenbeentje voel? Hoe voeg ik mij in deze eindeloze rij vissers, winkeliers, aanzegsters, dienstmeisjes, weduwvrouwen?
Vanaf het bankje kan ik het hele kerkhof overzien. Links zie ik mijn grootouders liggen, rechts mijn overgrootouders. Verderop, richting zee, liggen eerdere voorzaten. In het kerkje, onder de vloer, de zeventiende- en achttiende-eeuwers. In het water, ergens achter het Vissersmonument, wellicht wat resten DNA van zestiende-eeuwse voorouders, die van de ‘stenen dooitvaten’.
Als ik van het jongste familiegraf in het oosten naar het oudste in het westen loop, wandel ik in het ritme van de zon. Net als wij mensen gaat ze op, blinkt en verzinkt, hier op deze plek in het IJsselmeer, dat sprankelt tussen de huizen door.
Voetnoten