Journalist & Historicus

Mini-museum in Urker pronkkamer

De bezoeker die op een zonnige dag in 1907 met de salonboot vanaf Kampen of Enkhuizen op de Westhaven arriveert, ziet bij aankomst op de gevel van het boothuisje een opvallend bord hangen: ‘Bezoekt de Urker Kamer’, staat er met fiere letters. Veel toeristen zullen er na de aankoop van enkele ansichtkaarten bij de luid roepende jonge verkopers naar gevraagd hebben. Waar kunnen ze de veel geroemde oudheidkamer vinden?

Aankomst in de Urker haven: Rechts het boothuis met op de gevel het advertentiebord voor de Urker Kamer (Vrienden van Urk)

Rond de voorlaatste eeuwwisseling zijn oudheidkamers razend populair. De angst om het oude te verliezen zit er goed in. De snelle industrialisatie, uitbreiding van het treinvervoer en opkomst van massaproductie dankzij stoommachines, baren velen zorgen. Groepjes burgers verenigen zich om de cultuurgeschiedenis op het platteland te bewaren. De ouderwetse huiselijkheid past naadloos in het burgerlijk ideaal van deze eeuw. Klederdracht, traditionele architectuur en ouderwetse interieurs staan symbool voor nationale stabiliteit en degelijkheid.

Schets van Herman Heuff (1875-1945) van het huis van Albert de Boer uit 1913 (Noordhollands archief)

“Ut oogien op, links en dan achter het raodeus ut glop in!” zullen de jonge kaartverkopers hebben geroepen. De toeristen zullen bukkend onder lijnen wasgoed hun weg hebben gebaand, en ter hoogte van Wijk 4 – 19 opnieuw een bord hebben gespot, op de gevel van een huisje getimmerd: ‘Bezoekt de Urker Kamer’.

Reclame voor de Urker Kamer op het huis van Wijk 4 – 18 (linksboven). De buren laten zich graag fotograferen (Vrienden van Urk).

Vanaf deze plek is het niet ver meer. Men kan het huisje in de verte al zien liggen. Misschien leunt er toevallig een vrouw over de onderdeur een luchtje te scheppen. “Koem erin”, zal ze gezegd hebben.

Het prille begin

In april 1907 kondigt de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (POZC) aan dat burgemeester Van Suchtelen Van de Haare samen met dokter Theodoor Michiel Gerhardus Smits en wethouder Willem de Vries een mini-museum gaat oprichten. Het drietal heeft in een van Urks oudste huizen een kamer gehuurd en zijn dit aan het inrichten ‘zoals dat hier oudtijds de gewoonte was’.

In mei van dat jaar meldt de POZC dat Urk daadwerkelijk ‘een aantrekkelijkheid’ rijker is geworden. Op Tweede Pinksterdag kan voor het eerst een authentieke Urker Kamer worden bezocht. De entree? Slechts 10 cent.

Dat zelfs schoolkinderen de nieuwe bezienswaardigheid weten te vinden blijkt uit een volgend nieuwsbericht. In juli van dat jaar arriveert het stoomschip De Amsterdam vanuit Meppel, met aan boord een zestigtal schoolkinderen. Zij worden op de lagere school met chocolademelk en krentenbrood onthaald en bezoeken daarna daarna de Urker pronkkamer.

Houtsnijwerk uit Urk, rond 1900 gefotografeerd door dokter J.J. Brouwer (Vrienden van Urk)

Twee jaar later, in 1909, is de POZC zo mogelijk nóg enthousiaster. “’t Klinkt wel ongelofelijk”, noteert de Zwolse redacteur, “maar … op Urk zal binnen kort een tentoonstelling worden gehouden over alles wat betrekking heeft op huisvlijt”. Het is een initiatief van de Vereniging voor Werkverschaffing. Die wordt inmiddels aangevoerd door burgemeester Gravestein, de man van de onuitputtelijke plannen voor werkgelegenheid in de aanloop van de Grote Depressie.

De tentoonstelling zal tijdens de zomermaanden in de Urker Kamer te zien zijn en belooft ‘zeer belangrijk’ te worden. Onder de ‘vele kunstig bewerkte voorwerpen’ bevinden zich stoven, mangelplanken en knipwerk. De mooiste inzendingen worden beloond met een prijs.

Advertentie van Gebroeders De Groot voor hun postdienst Kampen-Urk-Enkhuizen uit 1890 (Delpher, Stichting Urker Uitgaven)

De vereniging wil met de tentoonstelling niet alleen de houtsnijkunst maar ook het vreemdelingenverkeer promoten. De gebroeders De Groot hebben volgens de krant inmiddels geregeld dat geïnteresseerden met hun salon-stoomboten Minister Havelaar en Baron Rengers ‘zoo geriefelijk en goedkoop mogelijk’ naar Urk kunnen varen.

Hoeveel schoons en merkwaardigs

Het lijkt de burgemeester te lukken om meer toeristen naar Urk te lokken. Een zekere Bruinsma adviseert in de Nieuwe Hengeloosche Courant het volgende: “[E]en tochtje [naar Urk] is het dubbel waard… men ga zelf die Urker kamer, den vuurtoren… de straatjes en gangetjes, maar vooral de menschen zien… U kunt het gerust doen want na een half uur op Urk zijt ge al geen vreemde meer…”

De huisvlijttentoonstelling in de Urker Kamer (H.T. Nieuwenhuis)

Het populaire ‘Geïllustreerd Volkstijdschrift’ Eigen Haard komt langs voor een reportage. “Een tentoonstelling op Urk en nog wel eene, die gezien mag worden!”, luidt de openingszin. “Iemand, minder bekend met het Urker volkje, slaat van verbazing de handen in elkaar, daar hij tot nu toe de meening toegedaan was, dat Urker handen alleen geschikt waren om netten te boeten en Urker spieren slechts den strijd tegen wind en golven durfden onderstaan. En ook onder hen, die beter kunnen weten, zijn er nog velen, die slechts oppervlakkig met dit kloeke ras kennis maakten en niet eens weten, hoeveel schoons en merkwaardigs de zoogenaamde ‘Urker Kamer’ van het eiland bevat.”

De keuken van de Oudheidkamer (H.T. Nieuwenhuis)

Hoe ziet de roemruchte Urker Kamer eruit? De keuken is voorzien van plavuizen en een muur met fraaie Oudhollandse tegeltjes. Het middelpunt is een haard met een koperen haardscherm en een waterketel die aan metalen beugels boven het vuur hangt. Aan weerszijden staat een biezen stoel, met houten spinnenwielen. Op de lage tafel staat een dienblad met een theepot op een lichtje en porseleinen servies.

Urker stel in de Oudheidkeuken (Eigen Haard, 14 augustus 1909)

In de hoek staat een prachtige Biedermeier vitrinekast; achter de raampjes is meer servies te zien. Ook is een wolmolen te zien, gebruikt om de gesponnen wol te strengen. De klederdrachtpop mag niet ontbreken, plus een mooie klok en een houten standaard met daarop een opengeslagen bijbel.

Op een foto uit Eigen Haard poseren een man en vrouw in de keuken. De man zit licht voorovergebogen, met bolhoed, lurkend aan een Oudhollandse kleipijp. De vrouw draagt een daagse geruite boezel en zit te breien. Achter haar ligt een ingebakerd baby’tje. Het plaatje er huiselijk uit maar het geeft geen realistisch beeld: ook op het Zuiderzee-eiland is inmiddels de moderne tijd aangebroken.

De woonkamer met pronkbedden en indrukwekkend aardewerk (H.T. Nieuwenhuis, verbeterd met AI)

De woon/slaapkamer heeft twee indrukwekkende bedsteden, met gordijnen en prachtig geborduurd beddengoed. De opstapjes zijn van hout, met sierlijk uitgesneden voorzijdes. Er is een bedwarmer, nog zo’n fraai oud-Holland stuk antiek. En voor een van de bedsteden staat een po, maar dan wel een hele mooie!

Foto van bedstee met koperen bedwarmer (rechts) uit Eigen Haard, 14 augustus 1909

Tussen de slaapplekken in opnieuw een wandkastje met serviesgoed. Onder de houten balken zijn fraaie borden te vinden. Ook hier hangt een voorname klok en er staat een comfortabel rieten stoeltje voorzien van elegant houtsnijwerk. Op de tafel staat een koffiekan en suiker- en melkkannetje van tin klaar. Boven het raam is nog net een schilderij in een bewerkte houten lijst te zien. De kamer heeft een voorname uitstraling – zeker niet het onderkomen van een verarmde visser!

En de tentoonstelling? Die is klein maar fijn. Bezoekers krijgen miniatuurbotters en prachtig uitgesneden mangelplanken, stoven en opbergdozen te zien. Het houtsnijwerk is volgens de POZC meer dan tweehonderd jaar oud. Het werk van Jantje de Knipper is wat slordig opgehangen, maar de bezoekers zijn hoe dan ook enthousiast.

Voorpagina van Eigen Haard (Delpher)

Het zijn voorwerpen die – volgens Eigen Haard – de bevolking ‘in de lange winteravonden, als zij van het verkeer met het vasteland zijn afgesneden’ vervaardigt. In diverse tijdschriften zal aan het Urker houtsnijwerk worden gerefereerd.

Kiekjes van een onderwijzer

Hoe weten we zo precies hoe de kamers eruitzagen? Omdat onderwijzer H.T. Nieuwenhuis foto’s maakte en deze doorspeelde naar de Zwolsche Courant. Deze ‘drie kiekjes’ stelde de krant tentoon in de entreehal van haar kantoor. Zijn foto’s werden ook in Eigen Haard gepubliceerd. Ook de opname van het poserende stelletje, mogelijk door iemand anders genomen, bleef bewaard.

Waar precies was het mini-museum in het begin van de vorige eeuw te vinden, en wie was de eigenaar? Volgens het Wijkenboek van de Vrienden van Urk was Wijk 4 – 112 vanaf 1920 een museum. Was dit ook de locatie van de Urker Kamer in 1907? Of kende Urk – in verschillende periodes – twee verschillende oudheidkamers?

Op deze foto van rond de vorige eeuwwisseling hangt links wasgoed te drogen voor de huizen op Wijk 4 – 112 en 113 (Vrienden van Urk)

Wijk 4-112 heeft weinig sporen nagelaten in de Burgerlijke Stand en in de transportakten. Ook zijn er amper historische foto’s van bekend. De enige vermelding is de geboorte van twee kinderen van Lubbertje Hakvoort en Zwaantje Bakker in 1895 en 1897 op dit adres. Op een kaart uit 1912 is het huis deels gekoppeld aan nr. 113; geen wonder dat de twee panden doorgaans als een eenheid worden beschreven.

Kaart uit 1912 met in het midden detail van de twee panden op Wijk 4- 112 en 113, gedeeltelijk met elkaar verbonden

In 1907 wordt Wijk 4 – 113 bewoond door Marretje Hoekman (1856 – 1923) en Fokke de Vries (1841 – 1910). Marretje is geboren in Enkhuizen maar is op jonge leeftijd met haar ouders Lucas Hoekman en Jannetje Weerstand naar Urk verhuisd. Vader Lucas is een uit Drenthe afkomstige gemeenteontvanger, brievengaarder, bakker en ansjoviszouter. Hij trouwt met de Urker Jannetje en is de stamvader van de Urker Hoekmannen.

Links op het pand is in die tijd een brievenbus te vinden, waar de Urker bevolking de post in kwijt kan. Heeft men geen postzegel? Geen nood, dat wordt de cent er los bij ingegooid.

Buurpraatje voor Wijk 4 – 113, rond 1920. In het hofje is nog net een arm te zien, mogelijk van Marretje de Vries – Hoekman (familiearchief)

Marretje is de zus van Albert, smid en oprichter van Machinefabriek Hoekman. Zij heeft het huis mogelijk geërfd. Van echtgenoot Fokke is een mooi portret bewaard gebleven, van Marretje is bij haar nazaten geen foto bekend.

Fokke Meindertz de Vries, bewoner van Wijk 4 – 113 (Vrienden van Urk)

Hun zoon Riekelt de Vries (1892 – 1961) trouwt in 1925 met Grietje van Urk (1903 – 1948). Hij is visserman maar komt door gezondheidsproblemen aan de wal als timmerman te werken. Het huisje op Wijk 4 – 112 wordt tot 1948 als timmerschuur gebruikt.

Grietje van Urk en Riekelt de Vries (familiearchief)

Riekelt en Grietje zijn de ouders van de bekende ‘Dames de Vries’: Marretje, Lummetje, Jannetje en Dirkje. Lumme en Jannie runnen vanaf 1958 een textielwinkel op nr. 112 – het opschrift op het huidige pand herinnert er nog aan. Op het moment van schrijven leeft alleen Jannie nog. Een kleindochter van Riekelt en Grietje woont nu op Wijk 4 – 113.

Is het deze familie die in 1907 een kamer in het huisje op nr. 112 als Urker Kamer verhuurt? Of gebeurt dit pas rond 1920? En wat heeft hoteleigenaar Hoekstra hiermee te maken?

Het Urker huisje in de ‘plattelandstentoonstelling’ van het Volksfeest in Arnhem, compleet met ‘inwoners’ (Collectie Nederlands Openluchtmuseum)

In 1919 vindt bij het Openluchtmuseum in Arnhem het Historische Volksfeest plaats. Urk doet uitbundig mee, met Gerrit Snoek en zijn fanfare aan kop van de historische stoet. Op de bijbehorende tentoonstelling is een volledig gemeubileerd Urker huisje te vinden, een ‘imitatie … uit 1639’, compleet met Urker gezin, volgens de organisator ‘een der grootste onder de vele attracties’.

Na afloop laat aanjager Tjeerd Hoekstra, eigenaar van Hotel Hoekstra, weten dat hij met de verzameling naar ‘een zeer oud visschershuis’ op Urk wil overbrengen.

Advertentie van Hotel Hoekstra in Het Leven van 26 juli 1921 (Delpher)

Als Koningin Wilhelmina in 1921 het eiland bezoekt, kan ze er niet onderuit: ook zij moet een kijkje nemen in de oudheidkamer, ‘uit 1639’.

Koningin Wilhelmina loopt door een erehaag van Urker meisjes (Nationaal Archief)

In tijdschrift Het Leven is een foto van een witgeverfd huisje met houten gevel te zien, met een krozende man en vrouw leunend over de onderdeur. Het tijdschrift omschrijft het als een ‘museum van oudheden’ in het oudste huisje van Urk.

“Deze heeft thans voor het eerst een echtheid bereikt, welke tot dusver nog niet bestond”, schrift Het Vaderland, dankzij Hoekstra, die ‘zijn oer-Urksche verzameling’ inderdaad naar Urk heeft vervoerd. “[D]e schat is thans ondergebracht in een oud-Urksche woning van twee vertrekken: huiskamer en deel. Het Urksche huisraad, het beroemde Urksche bed, kasten, bedwarmer, haardketel, alles is nu in orde”, aldus de redacteur, die in de kast ‘de oude kledingstukken karepoes, (hoofddeksel voor den winter), de oude zomerpet (niet meer gedragen) en andere typische dingen, waarmee de Urkenaar van de 17e eeuw zich tooide’ aantreft.

Afbeelding van het ‘Museum van oudheden’ in Het Leven van 28 juni 1921 (verbeterd met behulp van AI)

De koningin vindt het allemaal erg interessant, en volgens de journalist scheelt het niet veel ‘of zij had een proef met het Urker-bed genomen. Zoo in haar nopjes was de hooge gast over de werkelijk ook buitengewoon hartelijke ontvangst der Urkers.’

Hoekstra heeft het huisraad uit Arnhem vermoedelijk naar Wijk 4 – 112 overgebracht. Het witgekalkte vissershuis met houten gevel lijkt op het op het amper zichtbare huisje op de foto van rond de vorige eeuwwisseling. En de vrouw die over de onderdeur leunt? Zou dat niet Marretje de Vries – Hoekman, de moeder van Riekelt, kunnen zijn? Zij was toen 65 jaar – qua leeftijd zou het zomaar kunnen.

De nieuwbouw op Wijk 4 – 112 (links) en het verbouwde huis op nr. 113 anno nu (Vrienden van Urk)

Jannetje de Munnik-de Vries (Jannie), de enige nog levende dochter van Riekelt en Grietje, is nu 93. Zij kan zich geen foto van opoe Marretje heugen. “Zo lang ik me kan herinneren was nr. 112 de timmerschuur van mijn vader. Maar ik heb wel gehoord dat een familielid hier eerder een oudheidkamer had.” Kortom, de Urker Kamer waar toeristen begin twintigste eeuw hun ogen uitkeken, geeft haar geheimen nog niet helemaal prijs…

Het ouwe ‘ussien’

De geschiedenis van Museum Het Oude Raadhuis begint volgens sommigen in 1966, als het comité Vrienden van Urk op de zolder van de burgemeesterswoning een Urker Kamer inricht. Dorpsdichteres Mariap van Urk roept de bevolking al rijmend op om spullen voor de oudheidkamer te doneren.

Ik vraag an elke Urker vast:
Ei jie nog zo ’t ien of ’t anger
Dat aans in d’ Urker kamer past?

Al is et mar een iel oud prinkien
Mit Urk er op — dus ouwerwes,
Een strikeezer, een karkestoofien,
Och, jului wieten meen adres!


Wat zoekt het comité nog? “Kolomkachel met koperen insteek of platte buiskachel met koperen ketel. Twee horretjes. Rieten stoelen. Theestoof met hengsel. Koperen doofpot. Plaatstoof. Turfbak. Staande lamp. Urker klok. Tafel. Koperen tabakspot. Lessenaar voor Statenbijbel. Wandtegels, wandtableau met voorstelling.” Precies de objecten die in de eerder Urker Kamer stonden te pronken!

Anderen dateren het begin van Urks museale geschiedenis in 1978, als in het Hulp en Steun-gebouw aan de Westhaven een museum wordt geopend, met Mariap’s zoon Albert als beheerder.

Maar feitelijk begint Urks museale geschiedenis in 1907, met een pronkkamer en een huisvlijttentoonstelling, of in 1921, met een kamer waarin koningin Wilhelmina maar al te graag een knippien (tukje) had willen doen.

Met dank aan Klaas Kramer en Jan van Veen van de Werkgroep Genealogie, Vrienden van Urk

1 reactie

  1. Maurizio Pacini

    Bravissima Lucia! Een erg leuk artikel!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

© 2026 Lucia de Vries

Rebuild by WebtailBoven ↑