Een karrepoes van zeehondenbont, een rood baaien rok, een speciaal voor Koninginnedag gemaakte kraplap en een kerkborstrok: unieke kinderkleding die bewaard bleef in de familie van Nellie de Vries-Brouwer (1946). De bekende breister van koesen en visserstruien laat ze graag zien en duikt samen met ons even haar kindertijd in.

Een rood baaien rokje en wit boezeltje, afgezet met kant. Ze heeft het zelf als kind nog gedragen. Nellie is bijna 80 en heeft hartproblemen maar zit – zoals het een Urker vrouw betaamd – zelden stil. Elke maand breidt ze een paar Urker warrekieskoesen en regelmatig wordt een authentieke visserstrui op de pennen gezet.
Hoewel ze door haar moeder niet in het Urker is gestoken, heeft ze een bijzondere band met de klederdracht. Op speciale dagen droeg ze de historische kinderkleding van haar bessien Marretje Brouwer – Nentjes (1869 – 1955). Na haar dood ging de zak met kinderkleding naar Nellie; ze liet het op de SCABskoel over de Urker dracht in september 2025 nog zien.

Om te beginnen met het karrepoesien van zeehondenbont. Of is het een toppie, een typische jongenshoofddeksel uit vroeger tijden? Deze ronde muts had een rand van pluche of astrakan en een fluwelen bol met een grote knoop van wol of pluche erop. “Het mutsje werd gedragen door mijn oom Piet, en later door broers Cees en Ritske. Je had op Urk veel zeehonden en daar is dit mutsje van gemaakt,” vertelt Nellie. Het is een zwart katoenen bol met een rand van opvallend zacht grijs-zwart bont. Een product uit de zoute tijd, toen bruinvissen en zeehonden op de Staart lagen te zonnen en Urker vissers fanatiek jacht maakten op de ‘visdieven’.
Van de Markers is bekend dat zij rond 1772 mutsen met een voering van zeehondenvel droegen. Natuuronderzoeker, arts en schilder Johannes le Francq van Berkhey (die ook Urk bezocht), schrijft: “…op ’t hoofd … gelijk bij veelen nog in gebruik is, eene ouderwetse bonte muts, van schaapenvagt en zeehonden vel.” Op Urk werden vooral zwarte of zwart geverfde lamsvellen en schapenleer gebruikt, later vervangen door ruige stoffen als laken en wol.
Het is niet bekend wie het mutsje heeft gemaakt. Piet Brouwer (1919 – 1945) groeide op bij bessien Marretje en bebe Pieter Brouwer; zijn moeder overleed in het kraambed. Van Piet is ook de blauwe katoenen tussenbroek, zorgvuldig opgelapt en het baadje met een voering met porseleinstreep.

Piet droeg als bovenjasje een zwart rökkien met groen-wit geruite voering. Het jasje wordt gesloten met historische kinderknopen: een kleine, zilveren Zeeuwse knoop voor de bovenste koordlus, en zes zilveren guldens, vier uit de tijd van Koningin Wilhelmina, en twee uit die van Juliana.

Ook het rood baaien rokje is een uniek erfstuk. “Ik droeg het op koninginnedag en met bijzondere feestdagen,” vertelt Nellie. Rode baai was in de negentiende eeuw een populaire stof voor het mannenhemd en ongerbaodjen (de naam baadje is afgeleid van baai), maar voor ook voor de ongerborstrok, borstlap en tussenrok van de vrouw. Het is een grove, vrij los geweven gevelde wollen stof die aan een zijde is geruwd. Perfect om het lichaam warm te houden.

Schoolmeester en auteur Van Wijngaarden van Rees schreef in 1895: “Onze “vrèluien” zitten over het algemeen goed in haar vleesch en beslaan letterlijk … “en breede plaatse”, wat evenwel voornamelijk veroorzaakt wordt door de groote hoeveelheid roede, gestreepte en blauwe baaien rokken, die zij aanhebben.”

Net als in andere plekken, werden op Urk oude elementen uit de volwassendracht nog lang door kinderen gedragen. Dit kwam voort uit zuinigheid: oude stukken, gemaakt van kwaliteitsstoffen, konden vaak vele generaties mee. Dat geldt voor baaien rokken, maar ook klompen, de met zwarte kruissteek geborduurde witte kraplap en de geruite halsdoek of wit schouderdoekje.
De kleding die bessien Marretje bewaarde, behoort tot de feestkleding. Volgens Mariap van Urk droegen meisjes tijdens Pasen en Pinksteren drie onderrokjes, een witte, en rode en een ‘zuvenkleurde’ (zevengekleurde) en daaroverheen een rode wollen bovenrok met een veer. Boven de kraplap van blauwe tibet droegen de meisjes een gekleurd ‘liffien’ en een wit of gekleurd schouderdoekje.

Onder het rood baaien rokje droeg Nellie een diezek, met de in rood geborduurde initialen F.M. Deze is op de lagere school gemaakt door haar tante Fenna Metz en bewijs voor de traditie om initialen op de diezek, onder de band van de nette boezel en soms ook op de voorzijde van de bovenrok te borduren. Uit de verzameling blijkt dat voor de voering willekeurige stoffen werden gebruikt – alles wat voor handen was. Op patroon of kleur werd niet gelet, en als de voering kapot was, werd voor het lapwerk gewoon een ander stofje gebruikt.


Boven het boezeltje droeg Nellie op Koninginnedag een oranje zijden kraplap waar haar moeder de woorden Leve de Koningin op borduurde. De kraplap is gevoerd met lila katoen. Echt een pronkstukje! De bekende manufacturierster Sijtje Woort – Westerneng (1903-1995), die gek was van het koningshuis en oranje kraplappen promootte, zou er trots op zijn geweest.

Een ander bijzonder kledingstuk is de kerkbostrok, ook wel liffien of bovenborstrok genoemd. Het verbaast mij om te zien dat ook jonge meisjes een bovenborstrok droegen, op het oog eenduidig zwart met met bijzondere details zoals de vierkante hals en het beleg van gebloemde zijde (op Urk ‘strik’ of ‘lint’ genoemd). De mouwen zijn deels gevoerd is met zijde, die zichtbaar wordt als de mouwen worden omgeslagen (overslagen die ‘munsters’ worden genoemd). Een hele uitdaging om een borströkkien van zo’n klein formaat te maken!
Het liffien raakte na de Tweede Wereldoorlog in ongebruik. Een enkeling droeg het nog als kerk- en rouw- en trouwkleding. “Ik vond het als kind fascinerend om zo’n kerkborstrok te zien. Trientje van Steven Korf zat voor me in de kerk. Zij zag er heel statig uit in haar borstrok. Helaas stopte ze het na de dood van haar man te dragen,” vertelt Nellie.
Het is bijzonder om te zien dat bruidjes die nu in het Urker trouwen vaak weer een liffien dragen, bij voorkeur een erfstuk.


De kleding herinnert Nellie regelmatig aan opoe Marretje, ‘een echte zakenvrouw’. Marretje had een winkeltje in haar woonhuis op Wijk 4 – 116, waar ze stoffen voor Urker goed verkocht. Nellie: “Het was daar altijd gezellig. Alle Urker vrouwen kwamen er guzen. Vooral met Pinksteren was het er erg druk. Ze had wel zes soorten striept en stoffen voor boezels en werkgoed. Ze had lint en kanten en een doos vol hullenstroken. Ik zou er zo weer even om een hoekje willen kijken.”

Na het overlijden van Marretje in 1955 verhuisde Nellie (toen negen jaar oud) met haar ouders naar Wijk 4 – 116. Een huis vol herinneringen, waaronder die aan een bijzondere opoe, en de kleurige kinderdracht die zij zo zorgvuldig voor het nageslacht bewaarde.
Meer weten over de geschiedenis van de Urker dracht? Klik hier.
Geef een reactie