De Zwolse verzamelaar Hans Davidson kocht een aantal jaren geleden een oorijzer met hulletje voor vijf euro op een tweedehands markt. Hij zag meteen dat het om een zeldzaam exemplaar ging: het oorijzer was namelijk niet van zilver maar van onedel metaal gemaakt. En dat is onder verzamelaars iets bijzonders.
Hans maakte foto’s en schreef het Urker museum aan: zijn jullie hierin geïnteresseerd? ‘Nee’, was het antwoord, ‘wij hebben veel mooiere exemplaren, van echt zilver’. Toen ik de verzamelaar in 2023 leerde kennen ging het gesprek al snel over Urk en streekdracht. Hans was als kind al gefascineerd door de vrouwen in klederdracht die op de Zwolse markt rondliepen. Vooral nadat hij een Staphorster vrouw in een steegje had zien hurken en een plasje zien plegen, dankzij haar snelpieser, een onderbroek met open kruis. Nu verzamelt hij unieke stukken uit de Staphorster dracht en doet samen met zijn vrouw Kathi mee aan klederdrachtshows. De twee zijn regelmatig in Staphorster kostuum op Urk te vinden.

Hulletje in de koffer
Ik was benieuwd naar het oorijzertje maar moest geduld hebben: Hans en Kathi wonen namelijk de helft van het jaar in California. En daar was het setje mee naartoe genomen. Mijn kans kwam in januari 2025, toen ik hen opzocht in Redlands. Hans ging me voor naar de kelder, onderweg quasi nonchalant zijn topstukken aanwijzend. De benedenverdieping is ingericht als luxe filmkamer, volgepropt met objecten en schilderijen. Uit een lade kwam het oorijzertje met hulletje. “Neem maar mee en probeer uit te vinden bij wie dit vandaan komt”, zei hij. En zo vloog ik met de bijzondere aankoop in de koffer terug naar Nederland.
Eindelijk was dan het moment aangebroken: het metalen oorijzertje en hulletje lagen op mijn bureau, beschenen door een felle lamp. Het was aannemelijk dat het om een Urker ijzer ging – gezien de vogelkopjes. Samen met Huizen en Schokland bleef Urk trouw aan de gestileerde kopjes, ook wel koeie- of slangenkopje genoemd, die in de 17de eeuw werden geïntroduceerd. Bovendien zaten er gaatjes in de vogelkopjes – voor de mutsenspelden.


Het moet gezegd worden: het was een lomp oorijzertje. De hoeken veel te scherp en de verhoudingen niet kloppend. De vogelkopjes bleken niet veel meer dan lompjes onbewerkt ijzer. Alleen een meisje zonder geld zou zoiets op haar hoofd zetten. Wel is zo dat in de rouw het oorijzer niet mocht blinken; het werd niet opgepoetst en soms bewust dof gemaakt.
Iemand als kostuumhistoricus Theo Molkenboer zou er zijn afschuw over hebben uitgesproken. Hij prees juist het ‘echt vrouwelijke raffinement’ waarmee de Urker vrouw haar oorijzer droeg, met kopjes en spelden die kuiltjes in de wang drukten, ‘om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen’.“Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren”, meende hij.

Een hulletje voor de rouw
Ik stuurde foto’s naar Urker kennissen. “Is van een pop geweest”, was de onmiddellijke reactie, ‘op Urk droeg men geen onedele ijzers’. Een voor de hand liggende verklaring. Maar de streekdrachtpoppen die bewaard zijn gebleven dragen zilverkleurige oorijzers. Juist de schittering van het zilver door het kant werd op prijs gesteld.

Ik bestudeerde het hulletje wat beter. De effen witte katoenen bol was op de machine genaaid, maar de opvallend brede, witte strook dubbel marlegaas was er op de hand aangezet. De strook had geen kant, dus het was een ‘strokiesulle’, een rouwhulletje. Aan de buitenkant was in de rand met grijs garen de letter ‘M’ geborduurd. Toen ik het hulletje omdraaide zag ik nóg iets bijzonders: in de binnenrand was met een pen een naam geschreven: De voorletters waren Al of Ab, de achternaam Visser. Gezien het beperkte aantal Urker voornamen in het verleden moest het wel om een Albertje Visser gaan.

Ik liet de naam aan klederdrachtspecialist Jankees Goud zien. Die was niet verbaast. “Bij het plooien schreven hullenplooisters soms niet zo subtiel de naam van de eigenaar in het hulletje”, vertelde hij. Albertje kreeg haar eigen hulletje dus dankzij dit merkteken terug van de plooister.
Zoektocht naar Albertje
De Urker genealogie kent verschillende Albertjes Visser. Om erachter te komen welke Albertje het hulletje heeft gedragen vroeg ik Jankees om de ouderdom in te schatten.

Dat bleek nog niet zo eenvoudig. Als er geel kant aan had gezeten was het gemakkelijker geweest: die werd namelijk in de loop van de tijd breder en daardoor makkelijker in een tijdvak te plaatsen. Volgens Jankees was de hul van na de introductie van de hullenplooimachine op Urk. Die machine bestond al voor 1870 maar het is niet duidelijk wanneer dienstmeisjes deze vanuit Noord-Holland meebrachten.

Ik dook de stambomen in. Het moest een Albertje Visser geweest zijn die op jonge leeftijd in de rouw liep en een link had met de letter ‘M’. Het leek zoeken naar een speld in een hooiberg. Toch kwam ik al snel op een familie uit: de Vissers of Visschers met de bijnaam De Marker. Cornelis Jansz Visser, geboren in 1793 op Marken, trouwde in 1822 met de Urkse Albertje Jans Pasterkamp. Ze kregen zes kinderen; onder zijn kleinkinderen zijn vier Albertjes te vinden.
De nazaten gebruikten in officiële documenten meestal de achternaam Visser maar soms ook ‘Van Marken’. In de volksmond zullen de (klein)kinderen als ‘van de Marker’ bekend hebben gestaan – mogelijk de verklaring voor de ‘M’.
Alle vier in de rouw
De vier Albertjes zijn tussen 1850 en 1860 geboren. Maar we zijn op zoek naar een Albertje die al op jonge leeftijd in de rouw liep. De eerste Albertje, dochter van de oudste zoon Jan, geboren in 1851, kwam op haar dertiende in de rouw, toen haar zusje Femmetje overleed. Waarschijnlijk te oud voor dit hulletje.
De tweede Albertje, geboren in 1859, is de oudste dochter van zoon Hendrik Visser. Zij was tien toen haar moeder een levenloos meisje ter wereld bracht. Hoe ingrijpend ook, voor deze kinderen werd niet formeel gerouwd. Ook deze Albertje valt af.
De derde Albertje is dochter van zoon Teunis, geboren in 1860. Haar zusje Marretje overleed in 1865, toen zij vijf was. Misschien wat te jong voor een hulletje? Of droeg ze het op tienjarige leeftijd, toen haar broertje Klaas Jan overleed?
Dan is nog een vierde Albertje, dochter van zoon Andries, geboren in 1861. Haar zusje Dirkje werd in 1867 begraven, toen zij zelf zes is. Was zij degene voor wie het hulletje werd geplooid?
In 1932 werd trouwens nóg een Albertje Visser geboren. Maar zij liep nooit in het Urker.

Ik had twee mogelijke draagsters gevonden. Toch bleef ik met veel vragen zitten. Werd het onedele oorijzer echt voor een meisje gemaakt, of toch voor een pop? Wie was de maker? Waarom werd juist dit exemplaar bewaard? Verkocht de eigenaar of haar nazaten het aan een opkoper? Horen oorijzer en hulletje bij elkaar, of is er geen relatie tussen de twee?
Kostbaarder dan zilver
We weten wel waarom Hans nu juist dit oorijzer eruit pikte. Verzamelaars als hij weten dat metalen oorijzers kostbaarder van die van edelmetaal. Dat komt omdat ze mogelijk ouder zijn (het oorijzer was in de 16de eeuw nog vaak een eenvoudige metalen beugel die mutsen op hun plek hield), maar ook zeldzamer omdat ze sneller werden weggegooid.
Zodra Hans terugkwam uit Californië belde ik hem. “Het is mogelijk dat dit door een jonge Albertje Visser rond 1860 is gedragen, na het overlijden van een zusje of broertje. Maar ik kan het niet bewijzen en ik heb ook geen foto kunnen vinden. En het kan ook een bij elkaar geraapt setje zijn.” “Oké, maar wil het Urker museum het nu wel tentoonstellen?” vroeg Hans.
Dat wilde het museum zeker. Het oorijzer en hulletje zijn deze bij de heropening van het museum in februari 2026 in de tijdelijke mini-tentoonstelling Uitgelicht te bewonderen. Mis het niet, want zo vaak kom je geen oorijzer van onedel metaal tegen…
Geef een reactie