Als een Urker vrouw vroeger wilde shinen stak ze veel tijd en geld in haar kraplap. Want dit was hét kledingstuk waarmee ze kon pronken en haar persoonlijkheid uitdrukken. Geen wonder dat de kraplapmode door de tijd continue veranderde.

Wie in de jaren 50 en 60 de blits wilde maken kocht een stuk satijn en liet dit door Elisabet Brouwer–Van Urk (1909 – 1999) op Wijk 7-31 decoreren met een boeketje of bloementuiltje. Bet beschikte over een kistje met patronen, textielverf en gemalen glas in allerlei kleuren. Het resultaat: extra glans en reliëf, een echte blikvanger!




Het kistje bleef gelukkig bewaard en is nu bij kleindochter Janneke Brouwer te vinden. Hierdoor weten we dat de verf en mogelijk ook het gemalen glas afkomstig was van DEKA uit München (het bedrijf bestaat nog steeds!). Bet wilde graag dat haar kleindochter het stokje zou overnemen. Dat gebeurde niet maar Janneke kan zich nog wel herinneren hoe haar oma het aanpakte. Bet tekende het patroon met behulp van carbonpapier op de kraplap. Daarna spoot ze de verf met behulp van een papieren kokertje op het patroon. Indien gewenst werden hier glitters op uitgestrooid.

Urk was niet de enige plek waar met verf gedecoreerde kledingstukken populair waren, denk maar aan het Staphorster stipwerk. In Volendam was zelfs een autospuiterij waar je je stof voor boezel of kraplap naartoe kon brengen voor een mooi ontwerp.





Voor zover ik weet zijn er slechts drie Urker exemplaren bewaard gebleven. In het Nederlands Openluchtmuseum is een lichtgroen exemplaar te vinden, aangeleverd door Geert Oost in 1955.

Dat deze door Bet is gemaakt is aannemelijk: haar moeder was Jannetje van Jacob, grondlegger van de winkel.
Uit de collectie van Bets zoon Piet is een lichtpaars exemplaar bewaard gebleven, nu op de zolder van schoondochter Connie Buter te vinden.

Museum Urk beschikt over een flinke collectie kraplappen, en kon gelukkig een opgespoten exemplaar terug vinden, in een prachtige paars kleur.

De kraplap: altijd hip en modieus
De kraplap, ook wel kroplap genoemd, is al bijna vijf eeuwen oud maar vergis je niet: dit kledingstuk staat allesbehalve stil. De borstbedekking beweegt mee met de mode en weerspiegelt de persoonlijkheid en het gevoel van de draagster.
De kraplap was eerst ondergoed en zeer kort. Nadat vrouwen steeds vaker hun liffien (jak) in de kast lieten liggen, werd de kraplap bovengoed, en daarmee langer.
De oudste, bekende kraplappen zijn van sits of gestreept en gebloemd katoen. Eind negentiende eeuw droeg men voor ‘net’ een witte zijde kraplap met ‘artjen’, een patroon in zwarte kruissteken. Hieronder stikte men initalen, jaartal en soms ook woonplaats. ’s Winters werd ook wel fluweel gedragen.






Rond de Tweede Wereldoorlog kwamen de kleurig satijnen exemplaren met opgespoten boeketjes in de mode. In de jaren 50 introduceerde winkelierster Sijtje Woort-Westerneng het luxueuze brokaat, dat al snel dé trend werd.
Vanaf 1950 verschenen machinaal geborduurde exemplaren – in de jaren ’60 met sprankelend gouddraad en lurex.
Rouwende vrouwen droegen doffe, zwarte en donkere stoffen al naar gelang de zwaarte van de rouw.
Vandaag de dag is de kraplap er in vele kleuren en materialen: van traditionele exemplaren tot eigentijdse creaties.

Meer weten? Klik hier voor meer historisch onderzoek.
Geef een reactie