Dit artikel over de ervaringen van tbc-patienten werd gepubliceerd in Het Urkerland van 21 december 2023. Eerder schreef ik over het dagboek van Joeks Gerssen, die tijdens de oorlog eerst thuis en later in Harderwijk moest kuren.
Isolatie, sinds corona weten we er alles van. In de vorige eeuw was er een soortgelijke ziekte, ook verspreid via geïnfecteerde druppeltjes, die het leven van mensen op de kop zette: Tuberculose, in de volksmond bekend als de tering of de pleuris. Veel Urkers zaten door tbc maanden of zelfs jaren in isolatie.
De 60-plussers kunnen het zich nog goed herinneren: de Mantoux-test. Om tbc op te sporen kregen schoolkinderen een kruisje op de bovenarm, waar vloeistof in werd gespoten. Verscheen er binnen een paar dagen een bobbeltje dan was het mogelijk foute boel en werd je doorgestuurd voor een röntgenfoto.
Wie de ziekte nu oploopt krijgt een medicijnkuur van tenminste zes maanden voorgeschreven; bedrust is niet nodig. Dat was heel anders in de vorige eeuw, toen effectieve medicijnen nog niet voorhanden waren. De diagnose tbc was voor de patiënten zeer ingrijpend: het betekende een abrupt een einde aan het leven zoals ze dat kenden.

Patiënten moesten maanden- en soms jarenlang bedrust houden en kregen te maken met heimwee, verveling en eenzaamheid. Zelden hadden ze toegang tot onderwijs; toekomstplannen gingen in de ijskast. Bij voorkeur werden Urker tbc-lijders opgenomen in christelijk sanatorium Sonnevanck bij Harderwijk. Over hen publiceert het Urker Volksleven in 2024 een tweetal verhalen. Maar het aantal beschikbare bedden was beperkt en niet iedereen kon of wilde weg uit het gezin.
De thuisblijvers lagen of afgezonderd op een slaapkamertje, in de lighal van de kruisvereniging of in een ‘keetje’. Op Urk was namelijk een aantal tbc-lighuisjes te vinden: demontabele houten huisjes met ramen aan de zonkant. Hoe het leven er voor deze thuisblijvers uitzag herinneren Jane Visser-Kramer en Stiene Kramer-Brands zich als de dag van gisteren.
Tbc opleving
Als vanaf 1900 de sterftecijfers door tbc op Urk worden bijgehouden, blijkt dat die hoger liggen dan het landelijk gemiddelde. In 1901-1905 is bijna 27 procent van de sterfgevallen te wijten aan de ziekte, versus bijna 18 procent landelijk. Op Marken is dit trouwens nóg hoger: daar is bijna 35 procent van overlijdens te wijten aan de tering. Vanaf 1916 verbetert de situatie snel en komt het Urker sterftecijfer zelfs onder het landelijk gemiddelde te liggen.
Maar in de Jaren 30 gebeurt er iets vreemds: de tbc-sterfte stijgt weer, tot zo’n 14 procent tegenover het landelijke cijfer van 6 procent. Urk gaat de oorlog in met zorgelijk hoog aantal infecties: de sterfte is nog altijd ruim het dubbele van de rest van Nederland. Dit betekent dat ondanks alle vooruitgang Urk terug is naar af: de cijfers kijken verdacht veel op de gemiddeldes van het begin van de twintigste eeuw.
Wat de situatie nog zorgelijker maakt is dat het vooral jonge mensen zijn die aan tbc komen te overlijden. 16 procent is jonger dan 5, bijna 75 procent jonger dan 30. Als patiënten eenmaal de 30 gepasseerd zijn neemt de kans op overlijden snel af.
Dr. L.J.H.B. Paul onderzoekt in 1941 op Urk 2666 inwoners (67 procent van de bevolking). Hij wil weten waarom onder de gezonde en sterke bevolking een hoog tbc-sterftecijfer wordt aangetroffen. Hij treft naast sporen van oude een relatief groot aantal nieuwe, actieve besmettingen aan, 52, waarvan 15 open. Dr Paul gaat niet in op de sociaal-economische omstandigheden voor en tijdens de oorlog. Hij wijt de infecties aan het ‘bijeenhokken in de vooronders’, hygiëne op de schepen, gebrekkige behuizing en het ‘zeer intensief’ maatschappelijk verkeer op het eiland. Ook erfelijke factoren zouden een rol kunnen spelen, maar daar vindt Paul geen bewijs voor.
Anderhalf jaar in een tbc-keetje

Jane Visser-Kramer is vijftien als ze last krijgt van ernstige vermoeidheid en draaierigheid bij het bukken. Eerst geeft ze er geen aandacht aan. Ze is in 1933 als tweede van veertien kinderen geboren in het gezin van Cornelis en Zwaantje Kramer en gedoopt als Adriaantje. De familie is net verhuisd naar een woning op Wijk 5-60 (deze is later afgebroken). Door ruimtegebrek slaapt Jane bij haar bessien (oma) Jane Hakvoort-Post. Daar ligt ze in één bed met tante Jannetje. Haar tante ligt inmiddels ziek in bed met iets wat de dokter een ‘zware longontsteking’ noemt.
“Ik begon me echt ziek te voelen”, vertelt Jane, in haar gezellige appartement in De Hofstee, waar ze nu enkele jaren woont. Als de pijn niet overgaat gaat Jane naar Dr. Andriessen. “Typhus”, is zijn vermoeden en stuurt haar door het ziekenhuis in Kampen. “Ik weet nog dat ik daar op een koude plaat lag. Er werd een röntgenfoto gemaakt. De uitslag: de pleuris, oftewel long-tbc. Het was volgens de dokter nogal besmettelijk.”
Voordat Jane ziek wordt heeft ze een zware tijd achter de rug. “Wij woonden eerst in een heel oud, klein huisje. De dakpannen lagen los op de plinten; als het stormde, stormde het binnen ook. Er was geen stromend water. Ik was altijd aan het sjouwen met bakken naar de pomp”, vertelt Jane. Voor en tijdens de oorlog is er weinig te eten; de vis die vader Cornelis meebrengt is de enige bron van eiwitten. De verhuizing levert iets meer ruimte op, maar het gezin woont nu pal naast een stal met paarden, koeien en varkens. Jane: “Zowel ik als broer Tiemen kregen tbc. Ik heb me altijd afgevraagd of dit misschien door de dieren kwam.”
Kuren in Kampen
In Kampen wordt bij Jane vier keer een dikke naald via de rug ingebracht om vocht uit de longen te halen. “Elke keer kwam er een liter etter uit. De dokter legde uit dat het vocht naar mijn hoofd liep als ik bukte, daarom had ik zoveel pijn. Hij kwam op een dag met een glaasje wit spul bij me. ‘Jane, dit is een nieuw medicijn. Lekker is het niet maar je moet het opdrinken’. Het drankje heet ‘PAS’, Para-aminosalicylzuur, dat net vrij is gegeven. “Drie keer daags kwamen de zusters het brengen. Na een week kwam er weer een beetje leven in me.”
Intussen was tante Jannetje overgebracht naar een sanatorium in Zwolle; het was dus toch tbc. Er werd een long bij haar verwijderd. “Ontzettend veel mensen werden toen naar sanatoria gestuurd. Veel mensen hebben het niet gered”, vertelt Jane. Zelf ligt ze negen weken in het ziekenhuis. Dan blijkt er een tbc-tentje op Urk beschikbaar te komen: het huisje eerder Tiemen van Urk, de zoon van Klaas en Mariap van Urk, in had gekuurd. Het huisje stond inmiddels in het tuintje van Jan en Fetje Post. Jan en twee van de drie kinderen waren naar Sonnevanck gestuurd.
Het keetje wordt Jane’s nieuwe onderkomen. In het houten hok van zo’n twee bij twee meter zal ze anderhalf jaar verblijven. Het keetje staat in een andere wijk en bovendien hebben haar ouders hun handen vol. Vader Cornelis is zetschipper op de UK 162, broer Cornelis vaart op de UK 32. Bijna elk jaar breidt het gezin uit door de geboorte van broer of zusje. Moeder Zwaantje regelt eten en schoonmaak. Jane krijgt verder hulp uit onverwachte hoek: buurvrouw Fetje heeft genoeg aan haar hoofd maar brengt dagelijks kopjes thee en koffie.
Eenzame uren

Hoe is het voor Jane om een keetje te liggen? “Ik had geen pijn maar was wel erg moe. Het was een houten hok, niet geïsoleerd en op het noorden. Het was erg koud in de winter. Er stond alleen een bed en stoel. Ik mocht heel lang niet naar de wc, dus ik moest op de po. Fetje bracht elke dag een bak water zodat ik me kon wassen. Het eerste half jaar mocht ik alleen maar platliggen, daar had ik al snel genoeg van.”
Vader Cornelis heeft voor een klein radiootje gezorgd – dat helpt Jane de eenzame uren door. Vriendinnen komen af en toe langs. Ze zwaaien vanachter het raam. Na een half jaar wordt het regiem iets minder streng: “Op een gegeven mocht ik een uur per dag lezen. Ik was een boekenwurm dus al snel las ik alles wat mensen bij me brachten: meisjesboeken, romans over boerengezinnen op de Veluwe, De Spiegel en de Panorama.”
De komst van breigaren zorgt voor een doorbraak. “Garen was nog op de bon maar bessien Jane kreeg het voor elkaar om roze, lichtblauw en lichtgroen garen te kopen. Ik heb toen meteen een truitje voor mezelf gebreid, en een voor mijn twee tantes. Met elk truitje knapte ik verder op.” Jane heeft nu zoveel energie dat ze ’s avonds stiekem een rondje doet. “Even om de toren en over de havens. Ik hield het anders niet uit.”
Door haar ziekte mist Jane de kans om door te leren. “Urk kreeg in die tijd een Mulo en meester Loosman had mijn naam ook op de lijst gezet. Ik was niet dom hoor! Dat ik niet op de Mulo kon vond ik heel erg.”
Sterk geworden

Anderhalf jaar na de diagnose wordt Jane gezond verklaard. Nu kan ze haar leven weer oppakken. Ze helpt haar moeder in de huishouding en krijgt alsnog de kans om in de avonduren de modevakschool in Kampen te volgen. Ze blijkt een talent voor naaien en breien te hebben. Als ze marinebroeken van blauw laken begint te naaien, wordt dit een rage onder jonge mannen. Het verdient goed en ze kan ‘vrijers zat krijgen’. Op 20-jarige leeftijd trouwt ze met visserman Klaas Visser.

Klaas komt net als Jane uit een gezin van veertien; samen krijgen ze niet minder dan vijftien kinderen: “Je weet hoe het gaat, je krijgt het ene kind na het andere.” Naast het moederschap en de boekhouding voor het visserijbedrijf werkt Jane als naaister. Ook breidt ze op bestelling met een breimachine.
En haar gezondheid? “Nooit nergens last meer van gehad. Ik ben er sterk door geworden. Maar zonder het nieuwe medicijn had ik het niet overleefd. De Here heeft me er doorgetrokken.”

Kindertijd in de schaduw van tbc
Een kindertijd bepaald door ziekte. Stiene Kramer-Brands had zelf geen tbc maar haar moeder wel. Met fatale gevolgen.
“Wij waren als kinderen erg besmettelijk. Als iemand kuchte waren wij meteen ziek. Ik weet niet beter dan dat we hoestend naar school gingen”, vertelt Stiene, net als Jane woonachtig in De Hofstee. Geboren in 1933, groeit ze op in een gezin dat zwaar getekend is door ziekte.
Vader Frans Brands heeft darmkanker en ligt ziek op bed. Moeder Jantje Brands-Brouwer houdt het gezin op de rit tot ze begint te hoesten. “Als ze buiten in de kou en regen de was deed hoorden we haar hoesten. Zuster De Wit kwam langs en zei: ‘Je moet je door laten lichten in Kampen. Moeder wilde niet. ‘Alleen arme mensen worden doorgelicht’, zei ze. Dokter Vonk drong erop aan dat ze ging kuren in een sanatorium. Maar va zei: ‘Als jij gaat, Jantje, ga ik dood hoor’. En dan zei ze tegen ons: ‘Loop even naar Martha van Jan Woord om een drankje of wat pilletjes.”


Mag ik thuis komen?
Alle drankjes en pillen ten spijt, ook moeder Jantje komt op bed te liggen. Er staan nu twee ledikanten in de woonkamer. Dirkje en Lucas, de jongsten, worden bij familie geplaatst; Jannetje en Stiene blijven thuis. Jannetje gaat drie dagen naar school, Stiene twee dagen. “Er moest altijd iemand bij moeder zijn, om te helpen. We hielpen in het huishouden en deden klusjes bij de buren, die een groentezaak hadden. We pasten er op de kinderen, schilden aardappels, zoutten boontjes in en snipperden kool. Dan kregen we elk een gulden en een peer voor moe.”
Vader Frans overlijdt begin 1940; Stiene is dan zeven. Moeder Jantje is te ziek om naar de begrafenis te gaan. Haar brieven aan familie in De Zaan zijn hartverscheurend.
Af en toe tikt Lucas, de jongste, op het raam: “Moe, mag ik al thuis komen?” Het gaat iedereen aan het hart, maar het antwoord is onverbiddelijk: “Zo gauw ik beter ben.” Zus Dirkje durft niet eens meer aan te kloppen.
In de gezinnen waar tbc heerst, is het armoede troef, vertelt Stiene. “We leefden van de kerk”, vertelt Stiene. Het is haar taak om op vrijdagavond bij de diaken een envelop met vijftien gulden op te halen. “Moeder vond het vreselijk. Ze was altijd blij als het winter was want dan was het ’s avonds donker en kon niemand me zien.” Stiene wordt op school door kinderen uitgescholden voor ‘kerkopvreter’.
Verwater niet
Als de oorlog uitbreekt heeft voor de familie ook een voordeel: ze krijgen vanwege de ziekte dubbele bonnen en hebben van de Duitsers geen last. “Elk jaar mochten Jannetje en ik naar Kampen met de boot om longfoto’s te laten maken. Prachtige tochtjes waren dat.” De Vrijmaking van 1944 hakt er ook bij Jantje’s familie flink in. Als familieleden op bezoek komen wordt er hevig gediscussieerd over theologische zaken. “Moeder zat dan met een rood hoofd in haar bed. Ze vond het verschrikkelijk.”
Moeder Jantje ligt acht jaar op bed. De kinderen zien haar alleen in een nachthemd. Vlak voor haar dood in 1948 trekt ze nog een keer haar Urker dracht aan en bezoekt een zus bij de vuurtoren. Stiene: “We vonden haar toen de mooiste vrouw van heel Urk.”
Stiene is dertien als haar moeder overlijdt. “Blijf bij elkaar en bij de kerk. Verwater niet”, zijn haar afscheidswoorden. De meisjes lopen aan de hand van oom Jurie mee in de begrafenisstoet. Stiene blijft met haar zus in het ouderlijk huis wonen; Lucas mag eindelijk weer thuis komen. Maar ziekte blijft hen achtervolgen. Beide zussen blijken astma te hebben. Jannetje moet een jaar bedrust houden, Stiene een half jaar. Stiene heeft tot op de dag van vandaag snel last van longen en luchtwegen.

Wat is de impact van tbc op het leven van Stiene geweest? “De ziekte heeft ons onze jeugd ontnomen. Jannetje en ik hebben elkaar opgevoed. Spelen deden we eigenlijk niet. Op verjaardagen kregen we geen spelletjes maar kleren. Een ‘goeie ouwe tijd’, we weten eigenlijk niet wat dat is”, concludeert Stiene. Ze voelt zich niet bitter maar vraagt zich wel eens af hoe ze het allemaal gedaan heeft.
En terecht.
Lees ook:
0 reacties
1 pingback