
Eerder schreef ik over de ontdekking van een foto van een Urker jongetje in jurkje en boezeltje. Te laat om af te drukken in de Kroniek over de geschiedenis van de dracht, maar toch een gave vondst! Meteen kwam de volgende vraag bij me op: hoe zag de outfit er precies uit? En zijn er nog voorbeelden van te vinden?
Mariap van Urk maakte rond 1960 een kopie van de meisjes- en jongensdracht voor het Zuiderzeemuseum. Daar is het volgens conservator Hilde Cammel echter niet meer te vinden. De kindercollectie in de vaste opstelling van Museum Het Oude Raadhuis bestaat uit burgerjurkjes, wellicht afkomstig uit het nalatenschap van ‘vreemde’ kinderen.
Twaalf handgemaakte jurkjes
Geen jurkjes en boezeltjes dus. Maar een week of twee geleden kreeg ik ineens een berichtje van Salomé Philips, van Urker afkomst. Bessien (oma) Willempje Post (1894-1986) vertelde haar dat ze voor de babyuitzet twaalf jurkjes in huis moest hebben. Er zaten bandjes aan die om het lichaam werden geslagen en zorgden voor een gevoel van inbakering. Salomé: “De vrouwen in die tijd (en wij ook niet in de Jaren 80) wisten niet of ze een jongetje of meisje zouden krijgen. Om economische redenen kregen alle babies zo’n wit jurkje aan. Die van bessien is gemaakt van heel zacht katoen. En daar droegen ze dan zelfgebreide “warkieskoesen” bij en een mutsje omdat er via het hoofd veel warmte verloren gaat. En een luier uiteraard, maar de baby’s werden zo snel mogelijk zindelijk gemaakt. Ook weer uit economische redenen. En minder luierwas.”
Mooie informatie en Salomé had op zolder nog een jurkje van haar bessien liggen. Of ik een foto wilde?

Uiteraard, en wat een prachtig jurkje is het, met bijzondere details. Het borststukje is afgezet met vertikale stukjes kant, net als de hals en mouwtjes. De achterkant sluit bovenaan met twee knoopjes en in het midden de strik van de banden die kunnen worden aangetrokken.
Vrije keuze?
Toch bleven er vragen over. De lachende Hendrik Kramer draagt op de foto namelijk een geruit jurkje met pofmouwtjes met daaroverheen een wit boezeltje.

Was dit de kleding van iets oudere kinderen, of droegen baby’s alleen een boezeltje als ze naar buiten gingen? Waren de ouders vrij om hier een keuze in te maken? Kon dit aan de hand van oude foto’s misschien worden bevestigd?
Salomé gaf me niet veel kans. Haar bessien vertelde dat het op Urk zeer ongebruikelijk was om baby’s op de foto te zetten: “Men geloofde dat met die foto een stukje van de ziel van het kind werd meegenomen, meestal door volslagen vreemden. En omdat de kindersterfte al erg hoog was verborg men de baby’s zoveel mogelijk tegen vreemde blikken. Vooral als ze nog niet gedoopt waren.”
Dat maakt het onderzoek er niet gemakkelijker op. Gelukkig kreeg bij het zoeken van een voorbeeld van een boezeltje hulp van Jankees Goud. “Daar heb ik er nog wel een paar van liggen, afkomstig uit andere plekken”, zei hij. Al snel kreeg ik deze foto toegestuurd:

Opnieuw zo’n prachtig exemplaar. De boezeltjes hebben als kenmerk dat ze aan de achterkant altijd open zijn en dat ze geen mouwtjes hebben. Het lijfje kan aan de achterkant in de hals en bij het tussenstuk met haakjes worden gesloten.
Koesen en slaapkeppies
Bleven de gebreide kousen en muts over. Zou daar nog een exemplaar van bestaan? Salomé kon me helpen aan foto’s van een kous:

Inderdaad met een soortgelijk patroon als de ‘warrekieskoesen’ die nog altijd bij het Urker pak worden gedragen. Het motiveerde me om verder te zoeken naar het gebreide slaapkeppien dat Urker jongetjes op het hoofd droegen (meisjes droegen een kapertje van stof, versierd met band en kraaltjes). Gebreide slaapmutsen waren vroeger, in de onverwarmde huizen, populair bij mannen en vrouwen. Een voorbeeld is deze uit het Rijksmuseum met een gedicht van de blinde schrijfster Petronella Moens uit ca 1850: ‘Leefd wel en rust, geen kwaad bewust’.

Het mutsje op de foto van wat waarschijnlijk een jongetje is, lijkt voorzien te zijn van hartjes. Daar kan ik geen voorbeeld van vinden. Het exemplaar dat het dichtst in de buurt komt is dit mutsje uit de collectie van het Zuiderzeemuseum. Het werd in de wieg en soms ook bij de doop gedragen. Waarschijnlijk kwam zo’n mutsje in het hele Zuiderzeegebied voor.

Wie nu een babyuitzet verzamelt, rijdt even naar de winkel. Dat was er in het begin van de vorige eeuw niet bij. Misselijk of niet, de zwangere vrouw moest zelf aan de slag. Jurkjes en boezeltjes naaien, sokjes en mutsjes breien, luiers uitknippen en omzomen, en dan het beddengoed nog.
Salomé sluit haar bericht af met deze woorden: “We staan op de skoeren van sterke, stoere vrouwen, Lucia. Moren en klauwen.” Die uitdrukking kan vertaald worden als keihard werken en prutsen. Dat was het zeker!
Geef een reactie