Een van de meest interessante kledingstukken uit de Urker dracht is het skort. Deze wollen, zwarte plooirok lijkt weinig bijzonder maar wordt op een bijzondere manier gebruikt om het bovenlijf en hoofd van rouwende vrouwen tijdens begrafenissen te bedekken. Waarmee het verandert in een soort inheemse boerka.

Urks culturele boegbeeld tijdens de inpoldering, Mariap van Urk, schreef een innemend gedicht over het skort:
Het zwarte skôrt, bij kerkegang gedragen,
Hangt, geplisseerd, in zware banen neer:
Wij dragen ’t nòg, als ’t voorgeslacht weleer,
In der eeuwen snit is geen versagen.
Wat ons beschutt’ en schraagd’ in vroege tijden,
Dat was de zuiv’re zede in onze dracht:
Onopgesmukt, natuurlijk, onverkracht!
Hoe net en sierlijk kon zij ons omglijden.
Wij waren als zeilschepen op de baren,
In altijd éénd’re, wiegelende gang,
En nooit op drift, en nimmer levensbang,
Zo kwamen wij dit tijdperk binnenvaren.
Acteur en verzamelaar Cruys Voorbergh was er tijdens zijn bezoek aan Urk in de jaren 30 hevig door gefascineerd. Op lyrische wijze beschreef hij in ‘Erfenis van Eeuwen’ hoe een weduwe op de begrafenis van haar man gekleed was als een ‘zwarte plooiengedaante’:
“In de droge hitte van die zonnige zomerdag volgde achter de baar een wankelende vrouwenspersoon, aan weerszijden begeleid en gesteund door ver
wanten, die aan haar bedroefheid de vrije loop liet, radeloos snikkend onder een zwarte omhulling, die met wijde plooien van het middel af, romp, armen en hoofd omhulde en zo ruim viel, dat een hand van binnen uit, de draperie…voor het gelaat kon sluiten tot een nauwe spleet.”
We kunnen ons een voorstelling van bovenstaande scene maken dankzij een opname van het Zuiderzeemuseum uit 1949, van een rouwstoet met enkele bedekte vrouwen:
Het koste Cruys Voorbergh in de jaren 30 en mij anno 2025 de nodige moeite om te reconstrueren hoe deze ‘zwarte plooiengedaante’ tot stand kwam. Want hoe deden de rouwende vrouwen het precies? Op welke manier droegen droegen ze hun plooirok, vanaf welke hoogte trokken ze -em op, wat was er vervolgens aan ondergoed te zien en – last but least – konden ze nog wel iets zien?
Gelukkig zijn er enkele originele skorten bewaard gebleven, waaronder een gaaf exemplaar uit het ‘Truisvolk’, de nazaten van Hendrikje Hakvoort-Hoefnagel (Hente van Trui) en die van Sijtje Woort-Westerneng. Sijtje’s kleindochter Alita Kramer was bereid om tijdens de lancering van de Urcker Kroniek Een ‘schilderschoone dracht’ een demonstratie te geven.

Op deze foto laat Alita zien hoe de rouwdracht eruit zag. Op het hoofd droeg de vrouw een strookjeshul met zilveren of niet gepoetst gouden oorijzer, met -idealiter – zilveren ‘wang’spelden. Haar bovengoed bestaat uit een zwarte doek, een zwart liffien met doffe mouwen, een milde en onderborstrok. Daaronder draagt ze een zwarte boezel, het skort, een zwarte tussenrok en een of meerdere onderrokken. De halsketting bestaat uit zwarte glaskralen met een zilveren slot. Hieronder draagt ze zwarte muilen.

Hier heeft Alita het skort vanaf haar middel over het hoofd geslagen waardoor het een soort geplooide koker rond het hele lichaam vormt. Onder het skort is de zwarte tussenrok zichtbaar. Een verrassend effect!

Op deze foto is te zien dat de rouwende vrouw het zicht niet helemaal kwijt was. Zij kon de rok aan de onderrand vastpakken en een kijkgleuf creëren. Foto credits: Alita Kramer.
Van huik naar skort
Waar kwam het gebruik van de kapmantel cq -rok vandaan? Het dateert uit de Middeleeuwen, toen onder adelijke dames de zogenaamde huik populair werd. De huik (van het Arabische haik) was een traditioneel Noord-Afrikaans kledingstuk dat de vrouw volledig bedekte. Deze dracht zou tijdens de kruistochten uit Marokko en Andalusië meegebracht zijn naar de lage landen. Vooral tijdens ijskoude winters kwam de huik goed van pas, hoewel dieven er ook wel gebruik van maakten om onherkenbaar te blijven.

Dankzij middeleeuwse afbeeldingen weten we dat de huik werd niet alleen ’s winters bij het schaatsen maar ook in de kerk, bij dopen en begraven en tijdens uitjes in het park werden gedragen.

In verschillende streekdrachten leefde de huik in verschillende vormen voort. Ook in Hindeloopen, zo blijkt uit de prachtige schilderijen van autodidact Hendrik Lap (1824-1874). Tijdens de begrafenis en gedurende de eerste maand daarna droeg men een zwarte (plooi?)rok over het hoofd. De tekening veronderstelt overigens dat de mantel verbonden was aan een hoofddeksel, zoals dat bij sommige huiken ook het geval was.

De huik bleef met name in gebruik als rouwkleding. Op Texel droegen nabestaanden de huik bij het ‘aanzeggen’, het informeren van dorpsgenoten van een overlijden. Op Wieringen werd tot de inpoldering de huik nog tijdens begrafenissen gedragen.


Tot wanneer werd op Urk het skort gedragen? De plooirok begon rond de inpoldering snel haar populariteit te verliezen. Als rok voor rouwen en vieren bleven sommigen haar echter nog lang trouw. De laatste vrouw die het skort bij doop, avondmaal en begrafenis droeg was Hendrikje de Ridder-Nentjes. Zij droeg haar skort voor het laatst tijdens de trouwerij van een kleinkind in 2005. De laatste vrouw die het skort als kapmantel tijdens een begrafenis droeg was Trijntje Keuter-Post, bij het overlijden van haar zoon in 1965.

Plooirokken zijn al eeuwenlang fashion. Bijvoorbeeld na de Tweede Wereldoorlog, toen er weer stof voorhanden kwam. Dankzij nieuwe stoffen en technieken is het plooien gemakkelijker. Grappig genoeg schafte ik zelf een jaar of drie geleden een zwarte synthetische plissérok aan, toen in de mode.
Het was een bijzonder moment voor me toen ik het skort uit het nalatenschap van het Truisvolk mocht bekijken, fotograferen en uitproberen. Het is vooral ’s winters een heerlijk warme, zware rok, die – mits -ie goed past – als gegoten zit. Alsof je jezelf inbakert.
Om het Urker skort in ere te herstellen zullen we eerst moeten uitzoeken hoe het vervaardigd werd. Het maakproces is gelukkig – in het kort – beschreven door Mariap van Urk:
“Het Urker skort is … geheel met de hand vervaardigd. De plooien werden, ieder afzonderlijk, van boven naar onder doorgeregen, zodat ze vast kwamen te zitten. De rokkenplooister rolde daarna de rok op een speciale manier tot een rol, zodat het kledingstuk rechtop kon staan. Met een zwart lint omwoeld bleef het ‘in de ro’, wanneer het niet werd gedragen.”
De rok werd gemaakt van zware stoffen: wol, duffel of derry. Voor het fixeren van de plooien was een ingenieuze oplossing bedacht:
“De Urker vrouw bracht de rok naar de bakker, op het tijdstip dat het
warme roggebrood uit de oven kwam. Onder de gloeiend hete platen
werd de rok uitgespreid, overdekt met witte doeken of wit papier, en
daarna 24 uur onder deze ‘natuurpers’ gehouden. En dan bleven de
plooien erin geplisseerd, een eeuw lang!”
Plooi voor plooi rijgen dus en daarna met de rokkenbundel naar de bakker. 24 uur onder de roggebroodplaten. Een uitdaging die we voor geen goud willen missen.
Wordt vervolgd…
Hartelijk dank, Lucia, voor dit prachtige artikel, dat helemaal past bij jouw werk om de eeuwenoude tradities van Urkerland te herontdekken. Details, foto’s, historische reconstructies en zelfs een video, het resultaat van waardevol onderzoekswerk. Interessant is de verwijzing naar het gebruik van de skort in de recente tijdperk. Ik geloof dat de Urkers door jouw studies meer kennis hebben over de geschiedenis van hun charmante dorp.
Hartelijk dank, Maurizio. Zo’n mooie reactie en dan nog in perfect Nederlands ook!